Kardinaal Suenens over bidden in tongentaal
Iemand die voor het eerst een charismatische bijeenkomst bijwoont, zal geïntrigeerd zijn als hij soms hoort bidden of zingen in talen. Hij zal al dadelijk in de war zijn door die spontane uiting, waarin lettergrepen elkaar opvolgen zonder betekenisvolle zinnen te vormen. Men moet dus nagaan wat dat precies betekent, zonder te veel of te weinig belang te hechten aan dat bidden ‘in tongentaal’.
Niet wonderbaarlijk...
Volgens de gewone en vrij algemeen aanvaarde verklaring van de pinksterkerken, zou het hier gaan om de wonderbaarlijke gave van een taal die de spreker niet kent; het ontvangen van die gave zou bovendien de garantie zijn dat men werkelijk in de heilige Geest werd gedoopt. Volgens de katholieke traditie, zoals wij hebben gezegd, is de glossolalie niet de toetssteen van de ‘doop in de Geest’. Ik kan eraan toevoegen, dat het bidden in tongentaal volgens mij niet hetzelfde is als spreken in een vreemde taal die de spreker niet kent. In tegenstelling tot de ruim verspreide mening, ook in charismatische milieus buiten de pinksterkerken, denk ik niet dat zulks de betekenis van deze uitingswijze is. Het is niet uitgesloten dat men in bepaalde, uiterst zeldzame gevallen, die dan tot het mirakel behoren, toch zou te doen hebben met een onbekende taal die bij het gebed wordt gebruikt. Maar naar mijn gevoel moet men wijzen op de zeldzaamheid van die gevallen en zich hoeden voor de zucht naar sensatie. Mijns inziens gaat het niet om een ingegeven en uit de hemel gekomen wonderlijke taal; de betekenis ligt elders.
Niet pathologisch...
Aan het andere uiterste staat een waarnemer, vooral als hij met de psychoanalyse vertrouwd is, die de schouders ophaalt en het verschijnsel als pathologisch, emotioneel, collectieve hysterie, infantiel bestempelt. De echte wetenschap gaat met die uitspraak niet akkoord. Een van de beste deskundigen ter zake, William J. Samarin, professor in de antropologie en de linguïstiek aan de universiteit van Toronto, geeft als besluit van de uitgebreide enquête die hij in verschillende landen hield, dat er niets abnormaals of pathologisch aan de hand is; hij geeft daarvoor ook overvloedige bewijzen.1) Is het verschijnsel niet miraculeus en niet pathologisch, hoe moet men het dan positief begrijpen?
Wat is het in werkelijkheid?
Vooreerst moet men er een uitingswijze in erkennen, die wordt aangehaald in de Schrift; men vindt er een dertigtal zinspelingen op. In het Nieuwe Testament is er sprake van in de Handelingen (2, 4-11; 10, 46; 19, 6), in de brieven van Paulus (1 Kor.12, 30; 13, 1; 14, 2, 39), ook in het evangelie volgens Marcus (16, 17), waar Jezus aan de zijnen belooft dat ze in talen zullen spreken. Hoe de exegese het probleem ook situeert, het gaat hier over een verschijnsel dat door de Schrift als werkelijk en vrij veel voorkomend wordt beschouwd. Sint-Paulus zegt, dat die ‘gave’ de meest bescheiden van alle is, dat hij ze zelf bezit en wenst dat anderen ze hebben, maar dat men moet waken over de goede orde als ze wordt gebruikt in openbare bijeenkomsten. Men kan dus niet ontkennen, dat er een bijbels fundament voor is. Overigens vindt men het terug in heel de traditie van de Kerk: aanvankelijk vrij verspreid, daarna zeldzamer, tenzij in kloosters of in het leven van de heiligen.
Het is de taak van de theologen het verschijnsel te onderzoeken, niet alleen via de teksten maar ook via de ervaringen in het leven. Ik maak hier enkele bedenkingen zonder te beweren volledig te zijn of tot een definitief besluit te komen.
Allereerst moet worden opgemerkt, dat iedere christen die de heilige Geest heeft ontvangen, in aanleg alle gaven bezit krachtens zijn doopsel. De openbaring of de uitoefening van die gaven maakt hun aanwezigheid zichtbaar. Een fundamentalistische lezing van de bijbel draagt ertoe bij de gaven te zien als ‘dingen’. Het bidden in tongentaal wordt niet geminimaliseerd als men dat situeert op een natuurlijk niveau dat bovennatuurlijk wordt door het inzicht waarmee die gebedsvorm wordt bezield. Bovendien moet men bedenken, dat in zekere zin alles gave, alles genade is.
Deze vorm van niet-redenerend gebed, van niet-beredeneerde expressie van een spontaan gebed, ligt binnen het bereik van wie hem wil beoefenen en blijft steeds onder controle. Het is een verbale expressie, die niet bepaald wordt door een linguïstische structuur. Die uitdrukkingswijze is gebruikelijk in andere beschavingen; ze is ook minder vreemd aan onze gewoonten dan wel wordt gemeend. Denk maar aan het alleluiagejuich in de gregoriaanse paasmis. Let eens op een kind dat spontaan die expressie gebruikt om zijn vreugde te uiten als het rustig speelt. Men heeft eens gezegd, dat het bidden in tongentaal tot het gebed staat zoals de abstracte tot de figuratieve kunst; de vergelijking lijkt mij verhelderend.
De gaven van tongentaal werd eveneens vergeleken met de gave van tranen. Ieder is in staat om tranen te storten bij een sterke ontroering, en een artiest kan ze opwekken op het toneel; dat is allemaal normaal. Maar er bestaat ook een gave van tranen, zoals wordt erkend door een lange geestelijke traditie in de Kerk en zelfs door het rituale. Het gaat dan om een diepe godsdienstige expressie, die het onuitsprekelijke vertolkt, bij een gevoel van berouw, van aanbidding of erkentelijkheid tegenover God. Tenslotte zijn die tranen geen andere dan de gewone tranen, maar hun godsdienstige betekenis overschrijdt hun stoffelijke aard. De overeenkomst is treffend.
Godsdienstige betekenis van bidden in tongentaal
Nu ik getracht heb deze uitdrukkingswijze te situeren, moet ik nog de concrete geestelijke waarde ervan bepalen. Talrijke getuigenissen maken het duidelijk - en ik voeg er het mijne aan toe - dat deze gebedsvorm een soort persoonlijk loskomen is, een innerlijke bevrijding tegenover God en de anderen. Als men bij de aanvang van de ervaring, die een oefening van nederigheid is, het risico om kinderachtig en belachelijk te schijnen aanvaardt, dan ervaart men de vreugde een gebedswijze te hebben ontdekt die boven de woorden uitstijgt en alle intellectualisme overschrijdt. Het geeft vrede en een goed gevoel. Die gebedsvorm sluit andere vormen niet uit en kan alleen of in groep worden beoefend. Neemt het de vorm van een geïmproviseerd collectief gezang aan, dan kan het gebed dikwijls bijzonder mooi zijn en indrukwekkend religieus geladen, als men het maar zonder vooroordeel wil beluisteren.
De heilige Paulus noemde het de minste van de gaven, al gebruikte hij ze zelf. Misschien omdat het als een toegang tot de andere gaven is, als een lage deur waarvoor men zich moet bukken om erdoor te gaan. Oefening van nederigheid en van kinderlijke ingesteldheid, om toegang te krijgen tot het Rijk van God: "Als gij niet wordt als kleine kinderen..."; dit woord van Jezus is bekend, en het heeft een verre draagkracht. Als die zo weinig cerebrale gave een bres slaat in onze houding van terughoudendheid en verdediging, helpt ze om een drempel van bevrijding en overgave aan de Heer te overschrijden; die capitulatie levert hem die zich ertoe leent, geheel over aan de greep van de Geest. Er is niet veel voor nodig, maar het is iets kostbaars: het is een expressievorm van de innerlijke vrijheid van de kinderen Gods.
Karl Barth heeft de glossolalie (bidden in tongentaal) beschreven als ‘een poging om het onuitdrukbare uit te drukken’. Sint-Paulus zegt: "De Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen" (Rom.8, 26). Men verenigt zich met die geheimzinnige, niet-gearticuleerde taal en men laat het aan God over om Hem te verheerlijken en Hem dank te zeggen voor een liefde "die de kennis te boven gaat" (Ef.3, 19). In psychologische taal uitgedrukt, zou men zeggen dat het de stem van het onderbewuste is die opstijgt naar God. Het is een expressie van ons onderbewuste zoals dromen, lachen, wenen, schilderkunst, dans. Het speelt zich af in de diepten van ons zijn; daarom wordt dikwijls erkend, dat het een diepe genezingswaarde heeft, een genezing van onze verborgen trauma’s die de ontplooiing van ons innerlijk leven in de weg staan.
Laten we maar toegeven, dat wij in het algemeen vreselijk gecomplexeerd zijn als wij onze diepere religieuze gevoelens moeten openbaar maken zowel tegenover God als tegenover anderen. Zelfs priesters en religieuzen weten hoe moeilijk het voor hen is, zich op geestelijke vlak in de diepte bloot te geven aan hun confraters en hoe men al te veel oppervlakkig naast elkaar leeft. Wij zijn doorkneed met formalisme en ritualisme; ternauwernood beginnen onze christelijke bijeenkomsten open te komen voor een expressieve gemeenschapsliturgie, na eeuwen passiviteit. Wij hebben de warmte nog niet ontdekt, die bij een feest, bij een broederlijke viering past; langzamerhand treedt de dooi in. Paus Paulus VI waarschuwde tegen sleur in het gebed en tegen het misbruik van pasklare formules. Thans ontdekt men enkele nieuwe methodes inzake lichamelijke expressie en onderlinge communicatie. Men gaat meer belangstelling tonen voor nieuwe levens- en gebedsstijlen onder invloed van de Oosterse filosofie en men bestudeert met meer aandacht de gedraging van niet-Europese volken die minder verstard zijn dan wij.
De jeugd gaat vanzelf in die richting. Het bidden in tongentaal is niet ouderwets; het zou eerder een vernieuwingselement kunnen zijn op meer dan een vlak
Het mag ons dus niet verwonderen, dat een praktijk die helemaal niet vreemd is aan onze vroegere religieuze traditie, weer gaat opleven. Zodra men die vrije expressie van godsdienstige gevoelens voor zich heeft verworven, voelt men echt de behoefte om zijn gevoelens met anderen te delen. En men vindt het dan normaal en weldoend, dat men God kan loven, aanbidden, verheerlijken en liefhebben met alle expressiemogelijkheden waarover wij beschikken - met gebruik van alle snaren van de harp - en voor wie er de betekenis van heeft gevat, maakt het ‘bidden in tongentaal’ wezenlijk deel uit van die mogelijkheden.
Gaat men het bidden in tongentaal zo opvatten, dan komt het mij voor als een geestelijke verrijking, en daarom aarzel ik niet om het onder de vruchten van de genade te rekenen.
1) W.J.Samarin, Tongues of men and angels, New York, Mac-Millan Company, 1972.
Bron: Met toestemming overgenomen uit De Heilige Geest, levensadem van de Kerk, boek 1, uitgeverij Fiat -vereniging, Oppem-Meise, België, 2001. Zie ook StuCom 0067 en 0069.